Bij de geboorte was de levensverwachting in Holland 28 jaar. Om zo oud te worden moesten paar kritieke fasen worden doorstaan. Zo lag de kindersterfte hoog, waardoor maar liefst een vijfde van de kinderen de eerste vier levensjaren niet overleefde, wat de gemiddelde leeftijd natuurlijk behoorlijk naar beneden trok ... Wanneer iemand zijn eerste levensjaren voorbij was, dan volgde een nieuwe kwetsbare periode, als jongvolwassene tussen 20 en 30 jaar. Bijna de helft van de vrouwen overleed in die levensfase, bij de mannen ging het om iets minder dan een derde. In een tijd zonder medische kennis en zorg - en ons moderne besef van hygiëne - waren zwangerschappen en bevallingen voor vrouwen risicovolle periodes. Er kon van alles misgaan en de mensen moesten hopen dat het kind zonder ongelukken ter wereld zou komen. Jongvolwassen mannen liepen dergelijke risico's niet, maar vertoonden vaker risicovol gedrag. Ook moesten zij mee ten strijde trekken wanneer de landsheer besloot op oorlogspad te gaan. Bij bloedige gevechten vielen niet zelden honderden doden of meer. Andere doodsoorzaken waren vaak ziektes die voor ons niet meer zonder meer levensbedreigend zijn, zoals bijvoorbeeld griep, longontsteking, tetanus of bloedvergiftiging, maar waarvoor toentertijd nog geen behandelingen mogelijk waren, laat staan dat er vaccinaties bestonden. Bij benadering 20 procent van de bevolking wist een leeftijd boven de veertig te behalen, maar het was slechts een enkeling, ongeveer 1 procent, die de zestig haalde.